Deze Theatercode is een handleiding waarmee u het theaterbezoek met uw leerlingen vlot kan laten verlopen. De Theatercode focust vooral op de spelregels | gedragscodes en de organisatorische kant van het theaterbezoek.


Meer educatief materiaal met betrekking tot de inhoud en vorm van de voorstelling, vindt u in de lesmap. (op de pagina van de voorstelling zelf)

Voor jonge kinderen is naar een theatervoorstelling gaan een spannende gebeurtenis. Voor de meesten onder hen is het theaterbezoek in schoolverband de allereerste kennismaking met een cultuurhuis en met theater.

Het is van belang dat u hen goed voorbereidt. Immers als kinderen weten wat er gaat gebeuren, zullen ze zich veilig voelen en van de theateruitstap kunnen genieten. Het is ook fijn als ze weten wat er van hen wordt verwacht.
Het onderwijs is een prima (democratische) toeleiding naar het theater.

Wij geloven bovendien sterk in de pedagogische en enthousiasmerende kwaliteiten van leerkrachten.


 

- We vertellen de kinderen dat ze op theaterbezoek gaan. We leggen uit wat dat is en vertellen
hen naar welk soort voorstelling we gaan kijken: een film, een dans-, muziek-, of
theatervoorstelling. Met het juiste verwachtingspatroon naar een voorstelling komen, is
belangrijk voor een optimale beleving.
- We vertellen de kinderen hoe we op uitstap gaan (te voet, met de bus, ...). Wanneer gaan
we (nog hoeveel keer slapen, voor of na de speeltijd, ... )?
- We vragen hen wie er al ooit met mama of papa naar een theatervoorstelling ging of we
rakelen ons vorige klassikale theaterbezoek even op. Bespreek even hoe ze dit ervaren
hebben en laat ze vertellen hoe het bezoek verliep.
- We prikkelen hun nieuwsgierigheid door ze de titel te verklappen en de affiche of een
afbeelding uit de voorstelling te laten zien en te bespreken. We laten de kinderen zelf
fantaseren waarover het zou kunnen gaan. We laten mogelijkheden open.
- We verklappen niet teveel van de inhoud. Voorstellingen voor de kleinste kinderen zijn
meestal van die aard dat ze vooraf niet veel inhoudelijke duiding nodig hebben. Zo houden
we het spannend.
- We overlopen het `verloop` van het theaterbezoek en vertellen de kinderen wat er van hen
verwacht wordt.

1. Jassen worden aan de kapstokken gehangen.
2. We gaan vooraf zeker nog eens plassen
3. Tijdens de voorstelling blijven we zitten en we duwen niet met onze voeten tegen de zetels.
4. Bij het begin en het einde van de voorstelling gaan de lichten in de zaal uit. Het wordt donker
en dat betekent dat de voorstelling begint of helemaal gedaan is.
5. Tijdens de voorstelling is het publiek stil! Stil zijn betekent niet dat er niet gelachen mag
worden als het grappig is. Het betekent wel dat we niet praten tegen de andere kinderen.
6. Tijdens de voorstelling mag er niet gegeten of gedronken worden.
7. Na de voorstelling geven we een super luid applaus! Zo laten we zien dat we de voorstelling
leuk vonden.
8. Als de lichten aan zijn en de deuren open, verlaten we per klas de zaal.
9. De jassen mogen aan en samen met de klas gaan we terug naar school.

1. Wees op tijd.
2. Mobiele telefoon staat stil of af.
3. Het exact aantal kinderen wordt doorgegeven aan iemand van het cultuurcentrum. Dit aantal
dienst als basis voor het factuur.
4 Er wordt in de foyer verzameld. Als alle groepen aanwezig zijn én na een signaal van een
medewerker van het cultuurcentrum gaan we in groep de zaal binnen.
5. De begeleider zit bij de eigen klasgroep en houdt een oogje in het zeil.
6. De kinderen worden geacht tijdens de voorstelling op hun plaats te blijven zitten. Het is niet de
gewoonte tijdens een theatervoorstelling in en uit te lopen. Als de nood toch hoog is, mag de zaal
slechts verlaten worden onder begeleiding van een leerkracht of iemand van het cultuurcentrum. Dit
omwille van de veiligheid.
7. De kinderen moeten de ruimte krijgen om zelf(-standig) de voorstelling te beleven. Goedbedoeld
de voorstelling `becommentariëren` (uitleg geven over wat er op de scène gebeurt tegen de kleuters
rondom ons) werkt een unieke beleving of `theaterervaring` tegen.
8. Hou het verschil tussen theater en poppenkast in het achterhoofd. Bij poppenkast mag het publiek
meer meedoen. Wanneer de pop een vraag stelt, mag je als publiek het antwoord roepen. Bij theater
is dit niet zo. Wanneer een acteur een vraag stelt, is dit omdat hij luidop aan het nadenken is. Hij
verwacht niet dat het publiek reageert. Soms kan het gebeuren dat de acteur wel verwacht dat het
publiek antwoordt, maar dan zal hij dat expliciet aangeven. MAAR! De kinderen mogen best
meeleven met de voorstelling (ze mogen reageren op wat er gebeurt op scène), graag wel ingrijpen
als ze blijven roepen.
9. De meeste kindervoorstellingen duren maximum een uurtje, er is geen pauze.
10. De voorstellingen voor de kleuterklassen vinden vaak scène op scène plaats. Dit betekent dat wij
met onze kleuters op de scène zitten, kort bij de acteurs. Dit verhoogt de betrokkenheid en het
veiligheidsgevoel.
11. Gelieve geen foto`s te maken tijdens de voorstelling. Dit is storend voor (de concentratie van) de
spelers en komt de kwaliteit van de voorstelling niet ten goede.

Laat de kinderen in de klas hun verhaal doen.

Het is voor kinderen niet vanzelfsprekend te
verwoorden wat ze van een voorstelling vinden, laat hen daarom gewoon even ventileren en
vertellen wat ze gezien, gehoord, gevoeld hebben. Bovendien zullen ze wat ze hebben meegemaakt
eerder verwerken in fantasie, een tekening, een (rollen-)spel.

Misschien is het maken van een vrije
tekening van wat ze gezien | gehoord hebben een fijn idee?
Meer inspiratie kan je in de lesmap terugvinden.